Je bent jong en je doet wat

 

En wat hebben wij gedaan…

 

 

 

 

 

Commissie Jeugdcriminaliteit

Gooi en Vechtstreek

(Commissie Kozijn)

 

Eindevaluatie 5 jaar jeugdbeleid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Colofon

 

Je bent jong en je doet wat, en wat hebben wij gedaan?

© 2002 Commissie Jeugdcriminaliteit Gooi en Vechtstreek.

Jan Boone en Lodewijk Hazelhoff.

ISBN 90-77224–02-5

 

Tekstcontrole: Frank Oldenburg en Ben Wolbers (regiopolitie Gooi en Vechtstreek).

Lay-out: Jan Boone.

Druk: RAPtoon Bussum.

 

Delen van het rapport mogen – met bronvermelding – zonder nadere toestemming gebruikt worden ten behoeve van andere publicaties. 


Voorwoord

 

 

 

 

 

De jeugd en meer specifiek de jeugdcriminaliteit staat al jaren sterk in de belangstelling van de politiek en in het verlengde daarvan het openbaar ministerie en de politie.

Reden voor het regionaal college Gooi en Vechtstreek om in 1995 een commissie jeugdcriminaliteit in te stellen. De commissie, onder voorzitterschap van de toenmalige burgemeester van ’s-Graveland, de heer Kozijn, heeft een onderzoek verricht naar de aard en omvang van de jeugdcriminaliteit (problematiek) in de regio. Opgetekend in het rapport “Je bent jong en je doet wat”.

 

Naast de zogenaamde 0-meting zijn in het rapport aanbevelingen gedaan voor de gemeenten en de regiopolitie. Afgesproken werd, dat na een periode van zes jaar een evaluatie zou plaatsvinden. Eindelijk is het zover, de evaluatie is – later dan gepland - gereed.

Een aantal oorzaken liggen ten grondslag aan de latere verschijning van het rapport.  Zo is bij de politie een nieuw datasysteem ingevoerd, waardoor een vergelijk van cijfers vanaf 1995 niet goed mogelijk bleek. Om toch een goed overzicht te krijgen is besloten om een vergelijk te maken over de jaren 1998 tot en met 2001.

Het Centraal Meldpunt (CMP), één van de aanbevelingen, ontving subsidie tot eind 2002 besloten is een evaluatie uit te voeren tot eind 2002.

En slotte, niet onbelangrijk, is één van de auteurs een aantal maanden uit de roulatie geweest.

 

Zoals reeds geschreven, de eindevaluatie is gereed. Een belangrijke conclusie wil ik u niet onthouden. Binnen onze regio is geen sprake van bendevorming. Delinquent gedrag van jongeren is uitzondering en incidenteel. Echter alert blijven is het devies.

Groepsvorming kan leiden tot delinquent gedrag en uit de evaluatie blijkt dat binnen de grotere gemeenten sprake is van een min of meer sterke groepsvorming.

 

Het rapport is tot stand gekomen door een goede samenwerking van de regiopolitie, het openbaar ministerie en de gemeenten. Het onderzoek is verricht door Jan Boone en Lodewijk Hazelhoff, die ik langs deze weg wil danken voor hun betrokkenheid en inzet. Tevens een woord van dank aan alle leden van de commissie jeugdcriminaliteit die in de afgelopen jaren meer hebben gedaan, dan het begeleiden van het proces.

De commissie is een denktank gebleken om nieuw beleid in te zetten, bijvoorbeeld bij de aanvraag en inzet van de extra financiële middelen van de rijksoverheid, de zogenaamde Bolkesteingelden.

 

Tot slot, namens de commissie, dank ik de regiopolitie Gooi en Vechtstreek voor het beschikbaar stellen van de financiële middelen teneinde de evaluatie uit te kunnen voeren.

 

 

 

 

 

De portefeuillehouder Jeugd,

A. Morsman.

Commissaris van Politie.

 

 


 

 

Inleiding

 

 

 

De zorg om de jeugd en dan met name de jeugdcriminaliteit is van alle eeuwen. Wie een krant uit de jaren 20 van de vorige eeuw openslaat zal daarin lezen dat het met de jeugd faliekant fout gaat.

Na de tweede wereldoorlog wordt met name vanuit de sociologie en criminologie steeds meer onderzoek verricht onder jongeren.

De oorzaak van de (jeugd)criminaliteit wordt toegeschreven aan externe factoren, zoals het bestaan van ongelijke kansen in de samenleving of slechte levensomstandigheden.

In Nederland richten de onderzoeken zich met name op de zogenaamde massajeugd.

Zo zijn de nozems, de dijkers en het rondhangen uitvoerig onderzocht en beschreven.

 

De aandacht voor de jeugd leidde tot het instellen van de Commissie Roethof.

In 1985 rapporteerde deze commissie haar bevindingen over de jeugdcriminaliteit      -delinquentie en legde de nadruk op brede maatschappelijke factoren, zoals:

 

Grote maatschappelijke veranderingen na de tweede wereldoorlog.

Toenemende welvaart met meer goederen in omloop, gekoppeld aan meer gelegenheid tot plegen van criminaliteit.

De verstedelijking, welke tot een grotere anonimiteit leidt, gekoppeld aan het afnemen van het formele en informele toezicht (sociale controle).

De afname van de sociale controle stelt zwaardere eisen aan de zelfcontrole.

 

Verder werd een onderscheid gemaakt tussen veelvoorkomende criminaliteit (puberteitgedrag) en delinquent gedrag, de zwaardere criminaliteit.

 

Echter de verklaringen voor met name de toename van geweldsdelicten in de jeugdcriminaliteit bleven nog steeds onbevredigend.  

 

Naast aandacht voor de externe factoren kwam steeds meer het besef dat problemen  in de ontwikkelingsfasen van kinderen of, binnen de opvoeding, de gezinssituatie een factor zijn.

Het gevolg van deze onderzoeken is dat steeds meer inzicht werd verkregen dat in de meeste gevallen delinquent gedrag zich vanaf de vroege jeugd ontwikkelt en begint met niet-delinquente probleemgedragingen.

 

Zo blijkt tussen de 10 en 15% van de jongeren niet in staat om problemen adequaat op te lossen.

Daarbij komt dat deze groep jongeren minder profiteert van de hulpverlening en vaker in aanraking komt met de controlerende- en/of sanctionele instellingen.

 

Longitudinaal onderzoek geeft aan dat de meeste delinquente jongeren op jonge leeftijd één of andere vorm van probleemgedrag vertonen.

Voor de goede orde, niet alle kinderen met probleemgedrag vertonen later crimineel gedrag. In ieder geval zijn er een aantal indicatoren welke van invloed zijn op toekomstig crimineel gedrag. Enkele van deze indicatoren zijn:

 

Frequent vertonen van onmaatschappelijk c.q. antisociaal gedrag.

Het gedrag begint op jonge leeftijd.

Er is sprake van meervoudige problematiek.

 


De jeugd en dan met name de jeugdproblematiek kwam in het begin van de jaren 90 hoog op de politieke agenda.

Nog steeds was er de toenemende ongerustheid omtrent de aard en omvang van de jeugdcriminaliteit en de zorg voor de meervoudige problemen onder jongeren.

Reden voor het regionaal college van burgemeesters van de Gooi en Vechtstreek om een Commissie Jeugdcriminaliteit in te stellen.

De opdracht aan de commissie was het doen van concrete aanbevelingen binnen de verschillende beleidsterreinen, leefwerelden van jongeren.

 

De toenmalige burgemeester van 's-Graveland (thans Wijdemeren), de heer Kozijn, werd tot voorzitter benoemd en de commissie is in 1995 met haar werkzaamheden begonnen.

 

Nadat de aard en omvang van de jeugdcriminaliteit en overlast in kaart was gebracht is in december 1996 een rapport uitgebracht met daarin de aanbevelingen.

Het rapport is aangeboden aan het regionaal college en het openbaar ministerie van het arrondissement Amsterdam. [1]

 

De politie, gemeenten en het openbaar ministerie zijn daarna aan de slag gegaan om de aanbevelingen verder uit te werken en te vertalen in uitvoering.

Aan de slag gaan betekent ook nagaan of het ingezette beleid ook helpt, in de praktijk werkt, dus evalueren.

 

De eindevaluatie richt zich specifiek op de regiopolitie, het Centraal Meldpunt en de aanbevelingen aan de gemeenten.

Het rapport is opgemaakt aan de hand van interviews, diverse rapportages en aangeleverde cijfers door de regiopolitie Gooi en Vechtstreek.

 

 

10.    Samenvatting.

 

 

In de opzet, het maken van een rapportage met aanbevelingen, bleek de regio Gooi en Vechtstreek een landelijke voorloper te zijn. Met name het regionaal denken,    gekoppeld aan gemeentelijk beleid bleek van belang te zijn bij het uitvoeren van de aanbevelingen. Jeugdbeleid stond bij alle instanties hoog op de (politieke) agenda.

 

Gevolg; vanaf 1996 zijn de gemeenten, de regiopolitie en instellingen die met jongeren werken voortvarend van start gegaan met de aanbevelingen van de commissie jeugdcriminaliteit.

De eerste jaren is veel beleid opgezet en zijn samenwerkingsverbanden opgezet.

 

De regiopolitie zette, op gemeentelijk niveau, in op wijkagenten, jeugdagenten, het drugspreventieproject en het schooladoptieplan. Samenwerking kwam tot stand met het signaleringsoverleg, waar aanwezig wijkraden en het basisonderwijs.

Met een aantal scholen voor het voortgezet onderwijs zijn afspraken gemaakt om handelend op te treden (Weesp en Laren).

 

In de gemeente Weesp en Huizen is taakstellend meer de aandacht gericht op       hulp verlenen aan jongeren die dit aangeven.

Op basis van politiecontacten blijkt deze taakstelling ruimschoots is gehaald.

 

In de districten Vechtstreek en Gooi-Noord is het schooladoptieplan ingevoerd.

In alle districten is medewerking verleend aan het signaleringsoverleg.

 

De aanbeveling om de hoge pakkans in 1996 te handhaven c.q. naar 20% te brengen is regionaal niet gehaald. Afgezet tegen de cijfers van het CBS blijft het korps evenwel boven het landelijk gemiddelde. In de daling, zowel landelijk als regionaal, is geen statistisch verschil gevonden.

 

De voornaamste reden voor het dalen van de pakkans wordt gezocht in het veelvuldig verlenen van externe bijstand in relatie tot de formele politiesterkte van de regio.

De politieregio Gooi en Vechtstreek is de kleinste regio met 549 formatieplaatsen.

Verder wordt opgemerkt dat de gemeenten diverse maatregelen hebben genomen en in het algemeen het aantal (strafrechtelijk minderjarige) jongeren jaarlijks terugloopt.

Echter, er blijft een verschil in nemen van maatregelen en totaal aantal strafbare feiten, de pakkans.

 

Gelet op de politiecontacten is er geen sprake van bendevorming en/of structureel ernstig delinquent gedrag onder jongeren. Zwaardere delicten plegen is meer een incident dan regelmaat.

Om mogelijke bendevorming te signaleren en tegen te gaan, zijn op gemeentelijk   niveau de diverse groepen jongeren in kaart gebracht. Hiertoe wordt een onderscheidt gemaakt in de soort groep, gekoppeld aan het onderhouden van positieve contacten met de jongeren.

Het in kaart brengen van de groepen jongeren in de gemeente Hilversum wordt in 2003 afgerond.



[1] Publicatie “Je bent jong en je doet wat, en wat doen wij”  Boone en Grol december 1996.