Jeugdmonitor Gooi en Vechtstreek 2001

 

Rapportage ten behoeve van de regiopolitie Gooi en Vechtstreek

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Colofon

 

Jeugdmonitor Gooi en Vechtstreek 2001

© Commissie Jeugdcriminaliteit Gooi en Vechtstreek.

Jan Boone en Lodewijk Hazelhoff

September 2002.

ISBN

 

Tekstcontrole: Frank Oldenburg en Ben Wolbers (regiopolitie Gooi en Vechtstreek).

Lay-out: Jan Boone.

Druk: Boekproducties Drukkerij Walden te Bussum.

 

Delen van het rapport mogen – met bronvermelding – zonder nadere toestemming gebruikt worden ten behoeve van andere publicaties.


 

 

1.       Inleiding.

1.1             Aanleiding

 

Een aantal instellingen werkzaam binnen de beleidsvelden openbare orde , de jeugdzorg en hulpverlening hadden behoefte om inzicht te verkrijgen in de leefwereld van jongeren. Met name het in beeld brengen van trends, zoals de ontwikkeling van jeugdcriminaliteit,  middelgebruik, thuis – en schoolsituatie en daar aangekoppeld het afstemmen van beleid bleek de belangrijkste vraag te zijn.

Naar aanleiding van de vraag is een werkgroep opgezet, waarin de regiopolitie, het haltbureau, de GGD en de gemeente Hilversum participeerden. De werkgroep heeft (na overleg met de instellingen) gekozen voor een jeugdmonitor. Monitoren is namelijk een instrument op basis waarvan inzicht kan worden verkregen in hoe het is gesteld met een doelgroep, op een bepaald moment en hoe deze groep zich daarin ontwikkeld.

Het gebruik van monitoren vereist dan ook herhaling, bijvoorbeeld om de twee c.q. drie jaar.

De financiering van de jeugdmonitor is tot stand gekomen middels een bijdrage van de regiopolitie, het haltbureau, de GGD en de gemeente Hilversum.

 

1.2             Doelstelling

 

De jeugdmonitor heeft een aantal doelstellingen, te weten:

 

Ø       Afstemmen tussen onderzoek en beleid.

Ø       Toegankelijk en inzichtelijk maken van verkregen en bestaande informatie (ook landelijk).

Ø       Informatie verkrijgen op niveau van wijk / stadsdeel, gemeente, district (t.b.v. politie) en regio.

Ø       In beeld brengen van trends.

 

Door het afstemmen etc. en gebruik te maken van bestaande informatie kan het ingezette beleid geëvalueerd en eventueel bijgesteld worden. Een bijkomend aspect is, dat de onderlinge communicatie tussen de instellingen verbeterd wordt. De instellingen maken gebruik van dezelfde methode en informatie.

 

1.3             Opzet monitor

 

Naast reeds bestaande informatie is gekozen om een schriftelijke enquête te houden onder jongeren tussen de 12 tot en met 17 jaar, woonachtig in de regio Gooi en Vechtstreek.

Op deze manier kan met name informatie worden verzameld over leefgewoonten en meer subjectieve onderwerpen zoals ervaringen en behoeften.

De basis van de van de enquête (vragenlijst) is de Standaard Jeugdmonitor G21. De vragenlijst komt grotendeels overeen met die van de jongerenenquête van de GGD uit 1996. Hierdoor is vergelijk mogelijk.

 

Uit de gemeentelijke bevolkingsregisters is een steekproef (ad random) getrokken uit de doelgroep 12 tot en met 17 jaar.

Op deze wijze is een adresbestand samengesteld en zijn 2.051 vragenlijsten per post verspreid.

De jeugdmonitor 2001 is uitgevoerd door middel van het per post verspreiden van 2.051 vragenlijsten onder de doelgroep. De jongeren in (de voormalige) gemeenten ‘s – Graveland en Nederhorst den Berg hebben, door een fout in het bestand, geen vragenlijsten ontvangen.

In totaal werden 1.025 vragenlijsten geretourneerd, een percentage van 49,97%.

 

 

 


6.       Samenvatting en Conclusies

6.1     Samenvatting

 

De jeugdmonitor 2001 is uitgevoerd door middel van het per post verspreiden van 2.051 vragenlijsten onder jongeren in de leeftijdscategorie 12 tot en met 17 jaar, woonachtig in de regio Gooi en Vechtstreek.

De adressen zijn middels een steekproef tot stand gekomen.

De jongeren in (de voormalige gemeenten ‘s – Graveland en Nederhorst den Berg hebben echter geen vragenlijsten ontvangen. In totaal werden 1.025 vragenlijsten geretourneerd, een percentage van 49,97%.

Voor dit rapport zijn de resultaten van een deel van de vragen gebruikt, te weten vragen over de leefwereld, lichamelijke integriteit en vragen over plegen van delicten en slachtofferschap.

Door het statistisch onderzoekbureau Explostat is een nadere analyse gemaakt met behulp van een PCA correlatiematrix kruistabel en een PCA covariantiematrix kruistabel.

Het betreft een zogenaamd exploratief onderzoek.

 

6.1.1   Samenvatting leefwereld, lichamelijke integriteit en delicten / slachtofferschap

 

Leefwereld

 

Hierbij blijkt dat 6% van de respondenten in de districten Hilversum en Gooi Noord de situatie thuis als niet prettig ervaren, terwijl dit in de Vechtstreek 8,9% is.

Jongeren in de Vechtstreek voelen zich minder gezond, namelijk 16,1% tegen 11,7% in district Gooi Noord en 9,4% in district Hilversum.

In de Vechtstreek wordt 15,8% van de respondenten gepest. In district Gooi Noord is dit cijfer 11,7% en in district Hilversum 13,1%.

Op de vraag of ze zelf pesten c.q. soms pesten werd in de Vechtstreek bevestigend geantwoord door 1,2% en 21,2%.  Voor het district Hilversum lagen deze cijfers op 1,3% en 23,1% en voor Gooi Noord op 1,2% en 21,2%.

 

Lichamelijke integriteit

 

De hier vermelde cijfers zijn regionaal, de naar gemeenten uitgesplitste cijfers komen in een later stadium ter beschikking. Hierbij wordt opgemerkt dat voor de kleinere gemeenten deze cijfers niet representatief zijn.

12,4% van de meisjes geeft aan tegen hun zin, wel eens, een seksuele ervaring te hebben gehad. Voor jongens ligt dit percentage op 2,4%. Het misbruik bij jongens gebeurt in 90% door een bekende, terwijl bij meisjes dit percentage op 65,8% ligt.

 

Jongeren in district Gooi Noord gaven aan één of twee keer te zijn mishandeld (9,5%) tegen 6,5% in Hilversum en Vechtstreek. In de Vechtstreek is 6% van de jongeren vaker mishandeld, tegen respectievelijk 2,8% en 3,2% in Gooi Noord en Hilversum.

 

Delicten

 

De pakkans per district is als volgt:

Gooi Noord                                                                                                         : 10,7%

Hilversum                                                                                                          : 12,9%

Vechtstreek (geen cijfers van jongeren uit ’s - Graveland en Nederhorst den Berg)                   :16,8%

 

Landelijk, regionaal en districtelijk is “zwart rijden” (rijden in openbaar vervoer zonder te betalen) het meest voorkomende delict.Regionaal ligt dit percentage op 17,4% tegen 16,2% op landelijk niveau. Binnen de districten zijn de percentages: Vechtstreek 19%; Gooi Noord 17,8% en Hilversum 15,9%.

De Vechtstreek scoort bij nagenoeg alle delicten het hoogst. Ook op het gebied van veelplegen (vier of meerdere keren) scoort de Vechtstreek het hoogst.

Regionaal geeft 55,4% van de jongeren aan in de afgelopen 12 maanden slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit.


6.1.2   Samenvatting diepteanalyse

 

De jeugdmonitor heeft een grote hoeveelheid eigenschappen / kenmerken opgeleverd. Deze informatie wordt weergegeven in kolommen en rijen, ofwel een datamatrix.

Het onderzoek is exploratief van aard, dat wil zeggen een verkennend onderzoek.

Om vragen als: “Is er een samenhang tussen de verschillende kenmerken” of “Wat zijn mogelijke factoren” te verklaren is gebruik gemaakt van de zogenaamde factoranalyse.

De gebruikte statistische methoden zijn gebaseerd op de correlatiematrix en covariantiematrix.  De analyse van de correlatiematrix (met factoren/hoofdcomponenten) is als statistische methode gebruikt. Bij deze twee methoden is gekozen voor een vergelijk tussen twee subsets. Hierbij zijn een aantal vragen samengevoegd en deze worden dan met elkaar vergeleken. Het samenvoegen van een aantal vragen vormt een nieuwe variabele – voor deze analyse subsets genoemd.

De twee subsets bestaan uit: 1e het plegen van delicten in het afgelopen jaar.

Hierbij gaat het om vraag 68 met 24 antwoordmogelijkheden en vraag 70 of de jongere in het afgelopen jaar wel of niet naar halt is verwezen. De beantwoording hiervan is op nominale schaal. De 2e subset is de sociale indicatie genoemd.

Hierbij gaat het om positief of minder positief gevoel thuis en op school, in relatie met alcoholgebruik, hasjgebruik, spelen op een gokkast en mishandeld worden.

De beantwoording is op ordinale schaal.

 

De laatste is enigszins arbitrair vastgesteld vanuit het idee dat een negatieve score in de thuissituatie en het mishandeld worden en het gebruik van alcohol / hasj c.q. mate van gokken van invloed is op sociaal gedrag. [1]

 

Verder is bij de analyse twee groepsindelingen gehanteerd om na te gaan of de woonplaats (district) van invloed is op het plegen van criminaliteit. Deze twee groepsindelingen zijn:

 

1e groep geslacht en leeftijd

2e groep geslacht, leeftijd en district.

 

Opgemerkt wordt dat jongeren woonachtig in ’s Graveland en Nederhorst den Berg niet vertegenwoordigd zijn en in Loosdrecht en Muiden ondervertegenwoordigd zijn.

 

 

 

 

 


Bij het uitvoeren van de correlatiematrix blijkt (regionaal) een correlatie  te bestaan tussen geslacht - leeftijd en plegen van delicten.

Het blijkt dat drie delicten hoog scoren, te weten:

 

1.       Meedoen met een vechtpartij

2.       Mishandeling

3.       Inklimming

 

Delicten als vernieling van lantaarnpalen – fietsen en auto’s, heling en het dragen van wapens kunnen ook verklaard worden op grond van de factor sociale indicatie.

In mindere mate geldt dit voor de delicten winkeldiefstal, vernielen van ruiten, brandstichting en stelen van fietsen.

 

Voor het plegen van een overval is geen samenhang gevonden. Met andere woorden het plegen van een overval is onafhankelijk van deze factoren. Dit geldt eveneens voor het weglopen uit de thuissituatie.

 

Jongens van 18 jaar scoren bij het hoogst bij het plegen van strafbare feiten. De meisjes van 18 jaar scoren het hoogst binnen hun geslacht.

Het geslacht verklaart  dus in hogere mate de ordening (plaats op de schaal) dan leeftijd.

 

Opvallend is dat meisjes van 13 en jongens van 15 jaar eveneens hoog scoren.

Wordt de covariantiematrix gehanteerd (op grond van meest voorkomend delict) dan blijkt dat het aantal keren dat een delict gepleegd wordt meer afhankelijk is van de leeftijd dan het type delict.

Zo is zwartrijden regionaal het meest voorkomende delict. Het geslacht en/of leeftijd is niet van invloed bij het zwartrijden. Met andere woorden het zwartrijden is gelijk verdeeld over alle jongens en meisjes van 12 tot en met 18 jaar.

 

Wel zijn er een aantal opvallende aspecten te noemen, zoals:

 

1.       Het plegen van vernielingen in het openbaar vervoer heeft een hoge score, met name door jongens van 14 en 15 jaar.

2.       Het plegen van een overval en diefstal op school scoort redelijk hoog. De laatste wordt veroorzaakt door jongens en meisjes van 13 en 14 jaar.

3.       Meisjes van 13 en 14 jaar scoren voornamelijk op bekladden, diefstalletjes op school en vernielen van openbaar groen.

4.       Opvallend is het (verbaal) bedreigen door meisjes van 14 jaar.

 

Wordt aan de leeftijd en het geslacht het district aan de groepsindeling toegevoegd, dan blijkt de woonplaats (district) niet bepalend te zijn, maar het geslacht.

De pakkans is niet district afhankelijk.  Na de jongens (met uitzondering van jongens van 15 jaar) scoren de meisjes van 17 jaar uit de vechtstreek hier het hoogst.

 

Verder blijkt dat jongens van 18 jaar uit de Vechtstreek (Weesp) het hoogste scoren bij het plegen van strafbare feiten. Opgemerkt wordt dat de groep relatief klein is ten opzichte van de districten Gooi Noord en Hilversum.

 

Meisjes van 13 jaar uit de Vechtstreek (Weesp) scoren hoog bij het plegen van de delicten: vernieling van openbaar groen, brandstichting en deelnemen aan vechtpartijen.

 


6.2     Conclusies

 

De belangrijkste conclusies uit de jeugdmonitor 2001 zijn:

 

De belangrijkste factor bij het plegen van delicten is het geslacht.

 

Er is een samenhang (correlatie) tussen mishandeld worden bij meisjes van 13 en 17 jaar uit de Vechtstreek en sociale factoren (zich niet prettig voelen thuis op school etc.)

 

Regionaal is de mate van het plegen van delicten  – op grond van geslacht (jongens) en leeftijd (ouder in leeftijd meer dan jonger) - in volgorde van belangrijkheid:

 

1.       Vechtpartijen / mishandeling

2.       Inklimming (inbreken)

3.       Plegen van vernieling (m.u.v. ruiten)

4.       Heling

5.       Dragen van wapens.

6.       Winkeldiefstal.

7.       Brandstichting.

8.       Diefstal van een fiets.

 

De pakkans is relatief hoog. Veel jongeren die zijn gepakt door de politie geven aan naar het haltbureau te zijn verwezen.

 

Wordt het district (als groepsindeling) toegevoegd dan is er geen samenhang tussen leeftijd – geslacht en de delicten mishandeling en inbraak, ook niet indien de sociale factor wordt toegepast.

 

De factor sociale indicatie heeft een grote samenhang met diefstal van fietsen.

 

Meisjes van 13 jaar uit de Vechtstreek scoren hoog bij het plegen van delicten, met name bij het vernielen van openbaar groen – brandstichting, bekladden en deelnemen aan een vechtpartij.

 

Er is een zekere (significante) samenhang tussen sociale indicatie en plegen van delicten.

Met andere worden de thuissituatie / schoolsituatie etc als minder ervaren, dan is er meer kans op het plegen van delicten.



[1] Deze theorie is ontwikkeld door Hirschi (Social Control Theory)